Overdenking in de Stille Week viering op woensdag 12 april,
Goede Herderkerk Haarlem
Zij
heeft iets goeds voor mij gedaan. Want de armen zijn altijd bij jullie, maar ik
zal niet altijd bij jullie zijn. Door die olie over mij uit te gieten, heeft ze
mijn lichaam voorbereid op het graf.
(Matteüs 26:10-12)
Ze zeggen wel eens dat vrouwen ontvankelijker zijn voor het
evangelie dan mannen. Ik weet niet of het waar is - ik heb de indruk van wel -
maar in elk geval ontmoeten we vanavond een vrouw die zich onderscheidt van al
die mannen rondom Jezus.
Want dat moet gezegd worden: Jezus heeft vooral mannen om
zich heen. Er zijn tussen de twaalf
leerlingen geen vrouwen. En van al die mannen merken we voortdurend in het
evangelie dat ze niet begrijpen waar het om gaat. Ze hebben bijvoorbeeld strijd
over de vraag wie de eerste zal zijn in Gods Koninkrijk. Ze willen uitblinken,
belangrijker zijn dan de ander, vooraan staan.
En als er dan een vrouw komt, Maria heet ze, die op een
haast volmaakte manier laat zien wat het betekent om je volledig over te geven
aan de Zoon van God, dan begrijpen al die mannen er niets van. Sterker nog: ze
ergeren zich. Wat een mateloze verspilling! En hoe oprecht de bedoelingen
misschien ook zijn - het geld had aan de armen gegeven kunnen worden - toch
onthult de ergernis over de verspilling een gebrek. Een gebrek aan overgave.
Een gebrek aan inzicht ook. Want inzicht (dat heeft vooral met je hoofd te maken)
en overgave (dat heeft vooral met je hart te maken) kunnen niet zonder elkaar.
Ons hart wordt als het om geloven gaat zeker ook gestuurd door ons hoofd.
Daarom zegt Paulus in de Romeinenbrief ook: ‘wordt hervormd door de vernieuwing
van uw denken’. Echte verandering in een mensenleven begint bij nieuwe
inzichten, bij een denken dat vernieuwd wordt.
Dat gebeurt - in elk geval vóór de opstanding van Jezus -
bij de meeste mannen niet. Ze blijven vastzitten in hun vertrouwde
denkpatronen. ‘Er moet er toch één de eerste zijn, en laat mij dat dan maar
wezen!’ ‘Er moet hier op aarde toch ook gewoon gezorgd worden voor de armen, en
geld, daar moet je zorgvuldig mee omgaan!’
De vrouw die Jezus zalft, Maria, heeft heel andere
gedachten. Ze heeft zoals die andere Maria, de moeder van Jezus, steeds opnieuw
overwogen wat de woorden die Jezus sprak wilden zeggen. Woorden die gingen over
het komende lijden, over het sterven, over de graankorrel die in de grond moest
om vrucht te kunnen dragen, over kruisdragen. Maria ‘bewaarde al deze woorden
in haar hart en bleef erover nadenken’ (Lucas 2:19). Dat dezen al die mannen
rondom Jezus blijkbaar veel te weinig, actief en doelgericht als ze waren. Maar
Maria mediteerde.
En dan gebeuren er diepe dingen. Maria besteedt zo’n beetje
een jaarinkomen aan een albasten flesje met zeer kostbare olie. En ze gaat naar
Jezus toe, die ze grenzeloos liefheeft en bewondert, en ze giet het over zijn
hoofd. Alles wat ze heeft geeft ze aan Jezus. Dat is overgave.
Ze kan het doen omdat ze begrijpt dat ook Jezus zich
volkomen gaat overgeven. Het staat even helder als onontkoombaar en pijnlijk
voor haar geest: Jezus zal zeer binnenkort sterven. Het is buitengewoon
moeilijk om dat onder ogen te zien. Maar ze doet het wel. En ze gaat het
lichaam van Jezus vast zalven, want ze ruikt als het ware al de lijkgeur.
En Jezus prijst haar. Op dit moment doet deze vrouw wat het
belangrijkste is: Jezus zien en ervaren waarom Hij er is en er intens van
genieten - ook al is dat tegelijk zo pijnlijk - dat Hij de weg gaat die zij
niet kan gaan en die niemand kan gaan. De weg van het sterven, de weg van de
graankorrel, de weg van het kruis, om het nieuwe leven te vinden en te geven.
En weet u wat zo mooi is? Dat je ziet dat Maria lijkt op
haar Meester. Ze is door Hem aangeraakt. En in haar leven wordt al zichtbaar
hoe het is om te worden als Hij. Want ze is vol overgave, vol dienstbaarheid,
vol liefde, vol aanbidding.
Hoe is dat bij ons? Herkennen we Maria? Herkennen we wat
haar beweegt? Willen we, of we nu man zijn of vrouw, onszelf geven aan Jezus en
Hem volgen en worden als Hij?
Jezus geeft ook al direct aan hoe we dat kunnen doen. Hij
wijst ons op de armen. ‘De armen zijn altijd bij jullie.’ Wij hoeven Jezus niet
te zalven, maar kunnen wel de armen dienen, er zijn voor hen die het moeilijk
hebben, de zieken, de gevangenen, de daklozen, de hongerigen. Want in hen
ontmoeten we Jezus.